Tijdschrift voor landschapsonderzoek

2026-3 Column

Landschapsinclusieve dijkversterking

Over de expressie van ons waterland gesproken… Langzaam maar zeker krijgt het besef, dat dijken en dammen op veel verschillende schaal- en abstractieniveaus cruciaal zijn voor de landschappelijk kwaliteit van Nederland, vaste grond onder de voeten.

Dat is ontzettend belangrijk in een tijd waarin de herziening van de enorme collectie civieltechnische protheses die ons land droog houden, in volle gang is. Rijkswaterstaat en de waterschappen hebben de laatste twee decennia hun opdrachtgeverschap op dit vlak sterk ontwikkeld. En ook het omgekeerde is het geval: de ingenieurs- en ontwerpbureaus hebben zich bekwaamd in het beantwoorden van de vraag naar een goed ingepaste en zorgvuldig vormgegeven dijkversterking. Er gaat bij de waterschappen geen uitvraag meer de deur uit zonder een verzoek aan gegadigden om bij de uitwerking van de plannen en de realisatie daarvan niet alleen de kwantitatieve maar ook de kwalitatieve kant van de opgave expliciet mee te nemen in hun aanbiedingen.

Maar we zijn er nog niet. Er bestaan nog veel verschillende ideeën over de manier waarop de landschappelijke kwaliteit het beste wordt ondersteund, en daarmee samenhangend: hoeveel meerkosten daar dan mee gemoeid zijn. Vanaf een winderige Waalbandijk bij Ochten roep ik u / eigenaar van grote wateren en beheerders van rivierdijken / toe: [trap daar niet in¾] Als het argument ruimtelijk kwaliteit wordt gebruikt om de prijs van de offerte te laten oplopen, heeft het bedrijf dat de opdracht probeert te verwerven het niet begrepen. De kwaliteit van een dijk zit hem idealiter in de mate waarin het grondlichaam in één continue, vloeiende beweging tegelijkertijd toekomstvaste waterkering, hooggelegen langzaamverkeersverbinding, rijgdraad van watererfgoed en natuurlint kan zijn. Kwaliteit zit hem dus niet in goed bedoelde en kostenopdrijvende toevoegingen / denk aan alles tussen bankjes, bijenkasten en beeldende kunst / maar in de ontwikkeling van een utilitair dijkprofiel dat in één klap de vele functionaliteiten bedient.

Het zou goed zijn om dit perspectief te verankeren in landschapsinclusief dijkenbeleid en dat toe te voegen aan het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Wie geeft er opdracht en wie tekent en onderbouwt die integrale aanpak van het netwerk van Nederlandse dijken op een wijze die de dubbeldoelstelling van dijkversterking en landschappelijke kwaliteit ondubbelzinnig agendeert? Waar is de Unie van Waterschappen als je haar nodig hebt?

Dijklinten zijn feitelijk onbeschermde natuurgebieden, lees ik in de Volkskrant van 13 juli jongstleden. Maar de inconsistenties in het beheer van bermen en taluds door de verschillende waterschappen rijgen zich aaneen tot een patchwork van soms unieke, insectenrijke en dan weer waardeloze, morsdode vegetaties. Iets dat overkoepelende organisaties als het Interprovinciaal Overleg en Bij12 zich zouden mogen aantrekken. Dijken zijn nu ook onveilige verkeerstrajecten met allerlei gemeentelijke obstakels en signaalborden uit de CROW-catalogus om afwisselend automobilisten, motorrijders, wielrenners en wandelaars voorrang te geven en uit elkaar te houden. Laat Wandelnet de Dijkenvierdaagse lanceren, een viertal dijkdagmarsen langs achtereenvolgens de IJssel, de Rijn, de Waal en de Maas. Alleen dan kan de potentie van een ononderbroken dijkroute worden gevoeld en verdedigd.

Aan de slag, zeg ik.

ERIC LUITEN, LANDSCHAPSARCHITECT