Tijdschrift voor landschapsonderzoek

2026-3 Boek

Hoe water het landschap maakt

Ontwerpers ‘lezen’ het landschap op hun eigen manier. Meestal vragen ze zich af: Om welke bodem gaat het? Hoe staat het met de waterhuishouding? Wat groeit er in de omgeving? Hoe zit het verband van bodem, grondwater en inrichting in elkaar? Welke ruimtelijke veranderingen zijn er gaande en welke kansen levert dat op? Vaak worden daarbij historische en thematische kaarten geraadpleegd. Uit het ontwerpverhaal volgt de herinrichting (of andersom).

Deze werkwijze voldoet meestal en levert fraaie resultaten. Vrijwel overal in Nederland valt de ontwerpende hand van de mens te herkennen, ook al hullen velen zich in de anonimiteit. Mieke van Dijk en Mirjam van de Velde, afkomstig van opleidingen van landschapsontwerpers, ontsluiten het werk van voorgangers door de nadruk op de waterhuishouding te leggen. Daarmee willen ze het onderzoek voor en door ontwerpers een impuls geven. Soms wordt er naar hun mening niet diep genoeg gegraven om de inrichting aan te laten sluiten bij !of met redenen omkleed af te laten wijken van¡ de omgeving. Het al of niet opnemen van overblijfselen uit de geschiedenis in het ontwerp is een keuze.

‘Landschap in de maak’ omarmt het geheugen van de plek en geeft zicht op het historische en hedendaagse gebruik. Door de landschapsvorming centraal te stellen en de rol van de waterhuishouding uit te lichten, wordt het verhaal plaatselijk genuanceerd en van regels en uitzonderingen voorzien. Waar voor veel ontwerpers !oude¡ kaarten het begin en het eind van het onderzoek zijn, schuwen de auteurs de IJstijden niet. De vroegmiddeleeuwse ontginning wordt breed uitgemeten. Historische vervening, moernering en inpoldering blijken nog steeds van invloed op de inrichting van de lage landen, net zoals hedendaagse waterpeilen, nevengeulen, hermeanders, havens en stadswijken. Oudlandpolders, -wielen­, essen en onlanden zijn stille getuigen van een bewogen ontstaansgeschiedenis.

De auteurs willen ontwerpers aanzetten tot ontwerpend onderzoek. De teksten zijn kort, helder en knap geïllustreerd. De fotografie en cartografie halen zowel ontwerpregels als uitzonderingen naar voren. Ontwerp en analyse gaan vergezeld van persoonlijke verhalen, gedetailleerde doorsneden en ruimtelijke modellen. Theorieën en data leveren vuistregels voor het ontwerp.

Het boek valt niet te vergelijken met ‘Landschappen van Nederland’ (2025) onder redactie van Theo Spek, onlangs gerecenseerd in Landschap. Van Dijk en Van de Velde hebben een praktisch werkboek samengesteld om technische ingrepen beter in het landschap te laten –‘passen’.

Aan de waterhuishouding herken je de Nederlandse samenleving. Ook al is het boek in eerste instantie bedoeld voor ontwerpers, ook bewoners en wetenschappers kunnen er iets vinden van de samenhang tussen bodem, water, stad en land. Dat komt vooral doordat tekst en tekening een innig verband aangaan. Geen grote woorden, evenmin oogverblindende iconen, maar voorbeeldig mensenwerk.

JOHAN MEEUS