Tijdschrift voor landschapsonderzoek

2026-2 Redactioneel

In de geest van Kris

De voorbereiding van dit nummer van Landschap staat in het teken van het overlijden van Kris van Koppen, lid van onze redactie vanaf 2018. Kris overleed op 28 april na een korte, ernstige ziekte. Het is een enorm verlies. Dan denken we niet eens zozeer aan zijn inhoudelijke inbreng in de redactie, maar vooral aan de persoon die hij was: aimabel, kritisch, zorgvuldig, opbouwend. Wij wensen zijn vrouw, kinderen en allen die hem nabij stonden veel sterkte.

Kris schreef elk nummer een column. In dit nummer hebben we in plaats van zijn column een In Memoriam op­genomen. Toevallig had hij voor dit nummer ook een artikel geschreven, samen met Sterre Broens, over het omgaan met wolven in Nederland, gezien vanuit de Ubuntu-filosofie. Dit artikel typeert hem: het kiest een niet gebrui­kelijke filosofische invalshoek, heeft een empirische basis en gaat over een maatschappelijk zeer relevant onderwerp.

De overige artikelen zijn heel verschillend, maar hebben alle betrekking op de manier waarop we kunnen omgaan met het landschap. Het verdrogingsvraagstuk bijvoorbeeld: wat vereist een natuurgebied vanuit zichzelf, los van allerlei vormen van gebruik, aan maatregelen om verdroging tegen te gaan? Lees hierover in het artikel ‘Hoe dichten we het doelgat?’
In een ander artikel staat juist de afweging tussen natuur en andere belangen centraal. De Europese natuurwetgeving heeft namelijk een uitzonderingsbepaling, de zogenaamde ADC-toets, waarbij ADC staat voor Alternatieven, Dwingende redenen, Compensatiemaatregelen. Het artikel beantwoordt vragen als: hoe wordt daar in de praktijk mee omgegaan? Wat kunnen we hierbij we leren van andere landen?
En, hoe allerlei maatregelen en afwijkingen ook mogen uitvallen, het is in ieder geval belangrijk om te weten wat het effect op de natuur is. Het zou fijn zijn als we daar een eenduidige ‘meetlat’ voor hadden, een Kernindicator Ecologische Kwaliteit. Daarover gaat het vierde artikel. De auteurs van het artikel zijn betrokken bij de ontwikkeling hiervan en beschrijven in dit nummer hun eerste resultaten.

Het laatste onderwerp heeft altijd veel discussie opgeroepen. Is het technisch mogelijk om een eenduidige indicator voor ecologische kwaliteit te ontwikkelen? En is zo’n indicator krachtig genoeg in het cijfergeweld van harde economische sectoren? Maar daarnaast kunnen we natuurlijk ook de vraag stellen of zo’n kwaliteits­indicator principieel wel mogelijk is. Kwaliteit lijkt wel een soort Schrödingers kat: zodra je het kunt meten verdwijnt het uit beeld.

Kris zou hebben genoten van de discussie hierover.

WIM DE HAAS, HOOFDREDACTEUR