Natuur en democratie

Het is een wens van veel natuurbeschermers: een overheid die met krachtige, desnoods dictatoriale hand de maatregelen oplegt die nodig zijn om biodiversiteit te beschermen. De verwachtingen van democratie zijn daarbij niet hoog: in democratische besluitvorming voeren immers emoties, politieke spelletjes en kortetermijnbelangen de boventoon. Ook al begrijp ik die gedachte, toch hebben natuurbescherming en democratie elkaar hard nodig.
Kijk naar het politieke landschap in de westerse wereld: stelselmatig zijn politici die weinig op hebben met de democratische rechtsstaat ook degenen die klimaatverandering afdoen als onzin en grote vervuilers niets in de weg willen leggen. De komst van een autocratisch regime gaat in de regel gepaard met het schrappen van milieuregulering – de Verenigde Staten zijn daarvan een triest en treffend voorbeeld.
Hetzelfde lijkt te gelden voor het mondiale zuiden. Een recent artikel van Bernauer et al. in The Journal of Environment and Development onderzocht het voor lage-inkomenslanden en toont aan dat democratische staten beter presteren: democratische instituties helpen bij het beschermen van een land tegen “de ophoping van vervuilende economische activiteit in een open, mondiale economie”.
Toch horen we ecologen en klimaatwetenschappers dikwijls klagen over democratie. Wat zij willen is beleid dat direct rekenschap geeft van de feiten over klimaat en biodiversiteit. Met andere woorden: een ecologisch gerichte technocratie. Maar het probleem is dat er tussen feiten en beleid altijd een andere factor zit: macht. En waar enkelen het monopolie krijgen over die macht, gaan ze vrijwel altijd iets anders doen dan wat goed is voor mensen en natuur. De Britse Lord Acton vatte het meer dan een eeuw geleden bondig samen: “Power tends to corrupt and absolute power corrupts absolutely.” Als het gaat om de basiswaarden van een duurzame samenleving
– respect en zorg voor mensen en natuur – dan zijn die veiliger bij de burgers dan bij autocraten.
Aan de andere kant – daar hebben die wetenschappers een punt – zitten er tussen respect voor de ander en maatschappelijk handelen ook feiten. Zeker wanneer het gaat om mensen of natuur buiten onze onmiddellijke leefwereld. Feiten over het verband tussen broeikasgas en klimaat, tussen vleesconsumptie en bosvernietiging, tussen belastingen en collectieve voorzieningen. Willen de waarden van burgers tot uiting komen in democratisch beleid, dan is feitelijke informatie cruciaal.
Een goed functionerende democratie kan dus niet zonder feitenkennis. Daar ligt ook de kracht van burgerberaden: niet alleen in de gezamenlijke besluitvorming maar juist in de informatiefase, waarin deelnemers ook zelf deskundigen kunnen uitnodigen. En zo zijn er tal van mogelijkheden – waaronder living labs – om duurzame democratie in de praktijk te brengen en daarvan te leren. Met respect voor de ander én aandacht voor de feiten.
KRIS VAN KOPPEN