Uitnodigend boek over natuuronderzoek in de stad
Menno Schilthuizen is voor veel natuurliefhebbers in binnen- en buitenland geen onbekende. Zijn boek Darwin in de stad won in 2018 de Jan Wolkers Prijs voor mooiste natuurboek van het jaar. Nu is er zijn nieuwe boek Darwin in de achtertuin, net als het vorige in zowel een Engelse als een Nederlandse versie.

Het is een kaleidoscopisch boek, dat zich nauwelijks laat samenvatten. De achtertuin waarover de titel spreekt begint bij een wild stukje stadsbos in Utrecht, maar strekt zich daarna uit tot grotten in de Ardennen en Maleisië, De Slatuinen in Amsterdam-West en het eiland Lungisan bij Borneo, en nog vele andere plekken op aarde waar bijzondere soorten te vinden zijn. De onderwerpen die hij daarbij bespreekt variëren van buurtacties tot het prepareren van insecten en de trends in wetenschappelijke publicaties. Toch zit er een lijn in het boek, samengeknoopt uit drie verweven thema’s: fascinatie voor onopvallende soorten, burgerwetenschap en natuur in de stad.
Schilthuizen’s fascinatie voor soorten stamt uit zijn jeugd. Geïnspireerd door zijn biologieleraar ging hij insecten verzamelen en prepareren, een handwerk dat hij uitvoerig bespreekt. Het boek gaat ook in op nieuwe technieken voor het identificeren van kleine organismen, van smartphone apps tot open DNA-laboratoria. Dat allemaal om lezers uit te nodigen om net als hij natuurvorser te worden.
Daarbij spreekt hij niet zozeer professionele wetenschappers aan, maar op de eerste plaats burgers. Het boek is één groot pleidooi voor burgerwetenschap. Het werk van citizen scientists acht hij net zo belangrijk als dat van professionele biologen – de grondleggers van de biologie waren alle amateurs. Hij spreekt dan ook liever van community scientists, buurtwetenschappers. Met deze buurtwetenschappers, gedreven door verwondering en de wens om natuur te behouden, voelt Schilthuizen zich het meest verwant. Hij brak zijn academische carrière gedeeltelijk af om natuurexcursies te organiseren en buurtgroepen te ondersteunen bij het bestuderen en beschermen van natuur in hun eigen omgeving.
Het belangrijkste werkveld van buurtwetenschappers is de natuur van de stad. Niet alleen omdat de stad vaak de plek is waar ze wonen, maar ook vanwege de bijzondere biodiversiteit. Zijn boek is ook een lofzang op de wilde flora en fauna die zich weet aan te passen aan het stedelijke milieu. Urbane biodiversiteit is rijk, onder andere door de vele ecologische eilanden die daar door mensenwerk zijn ontstaan – zoals bijvoorbeeld rotondes – en de aanwezige substraten – zelfs plastic afval en kunstgras kunnen plaats bieden aan zeldzame soorten. Wat niet werkt in zo’n milieu, volgens Schilthuizen, is geplande natuur en het weren van exoten (behalve dan de huiskat). Zijn droom is “een stad … waar bomen, en idealiter alle planten, zich grotendeels spontaan mogen vestigen”.
Zelden heb ik zoveel kennis en hartstocht bij elkaar gevonden in één boek.
KRIS VAN KOPPEN