Tijdschrift voor landschapsonderzoek

2025-4 Redactioneel

Living labs als proces

Ik wil u niet lastigvallen met mijn persoonlijke biografie, maar ik kan het in dit nummer niet nalaten om te vertellen dat ik een aantal jaren geleden meedeed in het team dat de Nationale Wetenschapsagenda heeft opgesteld. De geldstroom die daaruit voortkwam maakte onder meer het project Living labs voor het herstel van biodiversiteit in het landelijk gebied mogelijk. Dit nummer van Landschap doet verslag van het resultaat daarvan.

Een deel van de resultaten, want de opbrengst van dit project is veel diverser en rijker dan wat u in dit nummer kunt lezen. Bovendien is het belangrijkste resultaat niet datgene wat in wetenschappelijke tijdschriften zoals Landschap wordt opgenomen, maar het maatschappelijk effect in de gebieden waar de living labs nog steeds plaatsvinden. Want daar gaat het om in living labs: het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kennis en nieuwe praktijken, vanuit de verwachting dat samen optrekken stimulerend werkt voor zowel wetenschap als praktijk. Dit alles wordt ook wel eens aangeduid als transdisciplinaire wetenschap, wat weer een stapje verder gaat dan interdisciplinaire of multidisciplinaire wetenschap.

In dit nummer staan drie living labs voor biodiversiteitsherstel centraal, elk met eigen kenmerken en uitdagingen. In Living Lab Ooijpolder-Groesbeek kon worden voortgebouwd op jarenlange samenwerking tussen boeren en natuurbeschermers. In B7 (Bollenstreek) waren de uitdagingen groot, omdat de bollenteelt vaak als zeer milieu­onvriendelijk wordt beschouwd. In Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is samen met betrokkenen een model ontwikkeld dat laat zien welke factoren wel of niet bijdragen aan biodiversiteit, met de nadruk op het gezamenlijke leerproces. Dat leren staat ook centraal in het vierde artikel over de ervaringen van boeren en de voorwaarden voor samenwerking. Het afsluitende essay blikt terug op het gehele project en gaat in op de randvoorwaarden voor succesvolle living labs.

Persoonlijk vind ik vooral de vraag interessant of er een gemeenschappelijke taal kan ontstaan die niet alleen het onderlinge begrip tussen boeren en natuurbeschermers bevordert, maar ook de potentie heeft om hun samenwerking te dragen. Taal is immers een drager van een bepaalde praktijk.

Als de artikelen in dit nummer iets duidelijk maken, dan is het wel dat living labs niet als projecten moeten worden gezien, maar als processen – processen die in sommige gevallen decennia kunnen duren. Ik hoop dat dit in de drie gebieden die in dit nummer worden besproken daadwerkelijk gaat lukken.

Ten slotte wil ik de NWO/NWA en de drie living labs bedanken voor hun organisatorische en financiële bijdrage aan de totstandkoming  van dit  nummer van Landschap. De realisatie van het nummer werd begeleid door een themaredactie bestaande uit Hans Kroon, Henk-Jan Oplaat en Cassandra van Altena vanuit de living labs en door de vaste redactieleden Kris van Koppen, Johan Meeus en Wim de Haas. Daarnaast gaat een woord van dank uit naar Wolf Mooij, die het initiatief nam voor dit themanummer.

WIM DE HAAS, HOOFDREDACTEUR