Windenergie en de kloof naar de burger

Burgerprotesten tegen windturbines zijn niet nieuw, maar ik heb de indruk dat de toonzetting verandert. Bijvoorbeeld als een IJburger vriendelijk lachend tegen de verslaggever zegt: “Natuurlijk zijn wij vóór windturbines. Die zijn nodig tegen klimaatverandering. We willen ze alleen niet híer.” Dat is eerlijk en ontluisterend tegelijk. Eerlijk, want het oplaaiend protest komt niet voort uit nieuwe inzichten over de noodzaak van windturbines en de hinder die ze veroorzaken. De reden is dat deze hinder nu concreet optreedt in de eigen leefomgeving. Windturbines zijn prima, maar ‘not in my backyard’. Maar de uitspraak is ook ontluisterend. Want het gaat hier om ruimtelijke ordening, milieu en landschap. Dat vereist een publiek debat over het goed en eerlijk inrichten van de maatschappij als geheel. In dat debat kun je problemen niet simpelweg verschuiven naar een andere achtertuin. De zwakte van NIMBY-argumenten is niet dat burgers niet voor hun individuele belangen mogen opkomen. Dat mogen ze. De zwakte is dat deze argumenten in een publieke zaak nooit het laatste woord kunnen zijn.

Daarom blijft het bij protesten ook niet bij uitspraken zoals hierboven. Er volgen argumenten over de nut en noodzaak van windturbines op land, kernenergie, zonnecentrales in de Sahara, ernstige bedreiging van de volksgezondheid enzovoort. Maar de houding van waaruit deze argumenten worden gebruikt blijft die van individuele belangenbehartiging. Het is een houding die past in het domein van de markt, waarin we voortdurend bezig zijn om de beste deals voor onszelf te sluiten. Waarom zou dat niet mogen als het gaat om een deal over je leefomgeving? Dan is het ook logisch dat je bij het loven en bieden je eigen argumenten opklopt. En die van andere partijen niet erkent – dat verzwakt immers je onderhandelingspositie. Het is deze toonzetting die ik steeds luider hoor in het debat over windenergie.

Een terugkerend thema in de discussies is de kloof is tussen politiek en burgers. Paul van Tongeren, de nieuwe Denker des Vaderlands, zet daar een vraagteken bij en wijst erop dat wij als burgers, dat wil zeggen, als leden van een politieke gemeenschap, moeten leren denken vanuit het algemeen belang: “Niet de kloof tussen burger en politiek moet overbrugd worden, maar die tussen individu en burger”.

Waar participatie daar niet in slaagt ben ik bang dat het vooral leidt tot een vergroting van sociale ongelijkheid. Zoals dat gaat in het domein van de markt, krijgen degenen met de diepste zakken en de meeste hindermacht het grootste stuk van de taart, of in dit geval, het mooiste landschap. De uitdaging aan de vormgevers van burgerparticipatie is om het precies dát te laten zijn: participatie van burgers. Dat wil zeggen, een dialoog met burgers waarin niet alleen antwoord wordt gegeven op reële zorgen, maar ook eerlijk en verantwoord wordt gesproken over de gemeenschappelijke belangen van deze en toekomstige generaties.

KRIS VAN KOPPEN

Reacties op deze column zijn welkom op kris.vankoppen@wur.nl