IN HET VELD – Tragedy of the commons

Als student van de bosbouwschool in Velp wilde ik botanisch onderzoek doen, liefst in het buitenland. Zo kwam ik met vriend Jan in Zuid-Wales terecht, bij Pembrokeshire Coast National Park. Omdat de bioloog van Pebrokeshire geen tijd had om ons te begeleiden, deden we voor haar collega recreatieonderzoek. We interviewden bezoekers en schreven een beheerplan voor Carew Castle. Leuk natuurlijk, maar
het was niet helemaal waar we voor kwamen. Wel gaf het een inkijkje in de Welshe volksaard. Zo parkeerden bezoekers hun auto op een klif 100 meter boven zee, en bleven vervolgens met hun sandwich drie uur in de auto zitten. Ook het persoonlijke contact was anders, je zag collega’s alleen maar in de pub of op het werk, nooit thuis (wat je ook in elke Britse detective terugziet). Het park gaf geen accommodatie of stagevergoeding, maar regelde wel kampeerplaatsen voor ons. Met onze caravan stonden we zo elke drie weken op een andere prachtige kampeerplek: een camping aan de westkust, in de tuin van een pastorie of op een afgelegen boerderij met een dolmen van 5500 jaar oud. De sfeer, de mensen en het omringende landschap vind je terug in Bruce Chatwin’s ‘On the black hill’.

Met de stafkaarten van Pembrokeshire wandelden we alle public footpaths rond onze standplaatsen. Sommige paden op de kaart waren volledig verdwenen, of overgroeid. Tot laat zaten we over de Heukels’ gebogen om de verzamelde planten op naam te brengen. Hoe geweldig als je na uren puzzelen met de determinatiesleutel een soort vond die in Nederland (bijna) uitgestorven was, zoals zwartmoeskervel of kruipend moerasscherm! We zagen bunzings, bosuilen en kerkuilen. Een avond toen we in het donker terug fietsten van de pub reden we in volle vaart bijna op dassen die over de weg scharrelden.

We deden ook een inventarisatie van het huidige gebruik van de ‘commons’, de markegronden: Preseli Hills, 536 meter hoog, twintig kilometer lang ‘wild moorland, heath and grassland’. We inventariseerden de landrechten die in de honderd jaar oude kadasters beschreven stonden voor de tweehonderd boeren die om het gebied woonden (boer Jones mag 2 koeien, 50 schapen op de commons houden, en takken en strooisel oogsten) en wat er in het echt gebeurde. Het aantal grazende schapen was zeker twee keer zo hoog als formeel mocht: de ‘tragedy of the commons’ in de praktijk. Overbegrazing en toename van adelaarsvaren door de duizenden extra (gesubsidieerde) schapen op de commons, terwijl koeien, paarden en ander vee grotendeels verdwenen waren.

We bleven vier maanden. Daarna moesten we terug. De caravan verkochten we, en de overdracht was op een parkeerplaats langs de A40. Toen we wegreden zagen we dat de sandwiches werden uitgepakt. Misschien staat ‘ie er nu nog….

THEO VAN DER SLUIS