Landschap en landschapsarchitectuur

Het Nederlandse landschap zal de komende decennia sterk, zo niet dramatisch, veranderen. Een ongekende transitie, die het gevolg is van andere grootschalige en langdurige transities. Het is bijna niet voor te stellen hoe vertrouwd het Nederlandse landschap er in 2050 voor ons nog zal uitzien. Het gaat om de energietransitie, met zijn windmolenparken, zonneakkers, nieuwe bossen en infrastructuur, maar ook om klimaatadaptatie, verstedelijking, verkeer, natuurinclusieve en/of kringlooplandbouw en robuuste natuur.

Het landschap is het toneel van deze transities, de fysieke ruimte waarin dit alles een plek moet krijgen. Daarbij is het landschap ook een speler: het draagt en ondergaat deze veranderingen én is zelf actief. De bodem kan CO2 uitstoten, maar ook opnemen en opslaan. Water kan land maken en breken. Natuur reageert op deze veranderingen, soms op onverwachte wijze. De verschillende landschapstypen zijn daarbij allemaal spelers op zich. Ten slotte is het landschap ook regisseur: met alle vormen van bestaand gebruik, de waarden die mensen aan het landschap verbinden en de bestemmingen die zij eraan hebben toegekend, regisseert het landschap wat waar wel en niet mogelijk is.

Landschapsonderzoekers kunnen deze verschillende ruimtes, structuren, processen en lagen in kaart brengen. Ze kunnen analyseren welke landschapsdiensten de verschillende landschappen kunnen leveren, en wat deze landschappen bijdragen aan die transities. Ze kunnen evalueren, bij gegeven doelen en normen, wat de kansen en risico’s van nieuwe activiteiten zijn. We willen echter niet alleen weten, we willen ook ontwerpen en sturen. We willen vooral een ecologisch gezond en leefbaar landschap, door het goede te behouden of door nieuwe landschappen te ontwikkelen. Daarvoor zijn landschapsarchitecten nodig. Zij kunnen landschappen ontwerpen en, samen met landschapsonderzoekers en andere experts, met ontwerpend onderzoek mogelijkheden verkennen.

LANDSCHAP zou dan ook meer ruimte kunnen bieden aan landschapsarchitecten. In dit nummer vindt u een mooi voorbeeld: landschapsarchitect Peter de Ruyter ontwikkelde een visie op de toekomst van het veenweidegebied van het Lage Midden van Friesland. Daarin pakt hij een aantal problemen tegelijk aan, zoals hydrologische problemen, bodemdaling, CO2-emissie en achteruitgang van de natuur. Hij ontwierp een nieuw, weerbaar en toekomstbestendig watersysteem,
rekening houdend met de verschillende landschapstypen in het gebied, als basis voor verschillende vormen van landgebruik. Hij deed dat met de steun van een grote groep onderzoekers. Hij laat zo zien dat landschapsarchitecten een rol kunnen vervullen in het ontwerpen van effectieve en leefbare landschappen, als functioneel antwoord op de vragen van deze tijd.

Paul Roncken, ook landschapsarchitect, volgt een ander spoor. Hij stelt zich in zijn proefschrift de vraag of een klassiek begrip als ‘het sublieme’ wellicht een rol zou kunnen spelen in de moderne landschapsarchitectuur. Hij presenteert zes typen sublieme ervaringen en verbindt die met landschappelijke archetypen die bij het ontwerpen van landschappen gebruikt kunnen worden. Zijn proefschrift wordt becommentarieert door Matthijs Schouten en Kris van Koppen.

JOS DEKKER, HOOFDREDACTEUR

 

Voor de inhoudsopgave klikt u hier