Jos Dekker, hoofdredacteur

Frans Aarts, 2016. Enschede, Boekengilde, 132 pagina’s, € 12,95. ISBN 978-94-6323- 022-3

In Peel en Kempen komt veel droog zandlandschap voor. De betovergrootvader van Aarts had in Deurne een boerderij die model staat in het boek. In detail analyseert hij het familieleven, de boerderij en het landgebruik. Met de kennis van nu schat hij opbrengsten van gewassen en vee, de voeding van vee en huishouden, de verkoop, de beschikbare mest, energie- en mineralenstromen en de uitputting van de bodem. De aandacht voor dat individuele bedrijf maakt dit boek bijzonder.

Aarts schrijft in een sobere stijl, die past bij het boerenleven van toen. De beschrijvingen worden afgewisseld met korte schetsen van spraakmakende gebeurtenissen, zoals het voorkomen van runderpest en rode loop (dysenterie), rampen voor vee en mens. Het boek bevat fraaie pentekeningen van het boerenleven uit die tijd.
Boeren hebben er eeuwen lang op ongeveer dezelfde wijze geboerd. Zekerheid was belangrijker dan experimenteren. Aanpassingen vonden wel plaats, maar zo geleidelijk dat ze nauwelijks opvielen in een mensenleven.

Hoewel de zandbodem nauwelijks geschikt was voor de teelt van gewassen, konden boeren er een bestaan opbouwen door een
vruchtbare teeltlaag aan te brengen. Die teeltlaag was het product van strooisel, plaggen, zand en dierlijke en menselijke mest, gemengd in de potstal. Heide werd gebruikt voor het winnen van strooisel, plaggen, voer en brandstof. De akkers waren ingebed in het heidelandschap. Het
boerenbedrijf had zo’n vier hectare akker, vooral rond het dorp, 3 hectare grasland in het beekdal en 10 hectare hei. De belangrijkste gewassen waren rogge en boekweit. Heide was dus een belangrijke natuurlijke hulpbron, maar te intensieve strooiseloogst kon leiden tot zandverstuivingen die akkers en dorpen bedreigden. Daarom lagen de gemaaide heideperceeltjes verspreid, wat van de hei een lappendeken
maakte. Schapen kwamen er weinig voor, de benodigde mest kwam van rundvee dat op stal werd gehouden.

Aarts typeert de landbouw in Peel en Kempen in die tijd als roofbouw. Lang wist het boerenbedrijf zich aan te passen aan de uitputting van de bodem, maar in de 19e eeuw lukte dat niet meer. Zelfs de hei kon niet overleven en er ontstonden rampzalige zandverstuivingen. De hei veranderde van bondgenoot in vijand.
In de loop van de 19e eeuw stopte de verarming, vooral door overheidsingrijpen, technologische ontwikkeling en een toenemende vraag naar zuivel en vlees. Door aanleg van infrastructuur, introductie van kunstmest en import van veevoer veranderde het gemengde bedrijf in een gespecialiseerd veebedrijf en de gesloten kringloop raakte open. De heide werd overbodig en ontgonnen tot vooral bos. Hei resteerde in natuurgebieden op de armste gronden.

Download pdf