Landschapstriënnale 2017

Onderweg naar de Landschapstriënnale kwam ik door het grijze landschap van de bedrijfsterreinen rond Schiphol. Ik voelde acute  landschapspijn. Die term is gemunt voor de groene woestijnen in Friesland waar in de weilanden geen afwijkend plantje of beestje meer voorkomt.
De landschapstriënnale zelf, op Landgoed Kleine Vennep in het toekomstige PARK21 in de Haarlemmermeerpolder, maakte veel goed. Hier waren creatieve en enthousiaste ontwerpers en onderzoekers bijeen die in een aantal projecten lieten zien hoe je met landschap een aantrekkelijk vestigingsklimaat kunt maken, voor bedrijven, bewoners en kenniswerkers.
Ook hier wel frustratie. Tussen plan en praktijk zitten vaak vele problemen. Bestuurders zijn zelden geïnteresseerd in landschap, tenzij het helpt bedrijven aan te trekken. Diezelfde bedrijvigheid kan dan weer een bedreiging vormen voor dat landschap, resulterend in de grijze en groene woestijnen die pijn doen aan het oog van de landschapsliefhebber. Wat ook niet helpt is dat de onderzoekers en ontwerpers weinig oog hadden voor het vestigingsklimaat van flora en fauna. En dat boeren, die toch een groot deel van het landschap gebruiken en beheren, nauwelijks betrokken waren bij de projecten.
Door de Vereniging Deltametropool, een van de curatoren van de landschapstriënnale, werd een nationale landschapsagenda voor het vestigingsklimaat gepresenteerd. Daarin wordt onder meer gepleit voor nationale afwegingskaders voor de grote transities die momenteel ruimte claimen. En voor ontwikkeling en bescherming van provincie-overstijgende cultuurhistorische landschapsstructuren. Ook pleiten ze voor meer geld voor landschapsonderzoek. Dit sluit aan op de nationale visie op landschap die WLO en NVTL onlangs hebben bepleit in een
brief aan de politieke partijen in de Tweede Kamer.

In dit nummer gaat de aandacht ook uit naar het landschap in voor LANDSCHAP karakteristieke artikelen. Witte et al. presenteren een dynamisch successiemodel voor de droge duinen dat de effecten van klimaatverandering en luchtvervuiling op dat systeem en op de ecosysteemdiensten die het levert, verdisconteert. Lucassen et al. rapporteren over een onderzoek in Park Lingezegen naar de sturende  factoren voor rietontwikkeling ten behoeve van moerasontwikkeling. Bijlsma et al. kijken vanuit een landschapsperspectief naar de kansen voor meer natuurlijkheid en natuurlijke ontwikkeling in Natura 2000-gebieden. En ikzelf analyseer de gevolgen van de invoering van de Index Natuur en Landschap voor de wijze waarop we natuur kennen en waarderen.

JOS DEKKER, HOOFDREDAC TEUR

Bekijk de inhoudsopgave van het volledige nummer hier.