Het Klimaatakkoord, dat in juli als voorstel op hoofdlijnen werd gepresenteerd, besteedt nauwelijks aandacht aan landschap. Natuur krijgt wel een functie toebedeeld, zo worden veenweiden en andere landbouwbodems, bossen, bomen en natuur genoemd. Landschap wordt echter maar een paar keer genoemd, en dan vooral in het verlengde van natuur en als onderdeel van ruimte. Terwijl landschapsecologische relaties medebepalend zijn voor de broeikasgasbalans en de kwaliteit van natuur en ruimte. Om te voldoen aan de doelen en de ruimtelijke opgaven van het Klimaatakkoord is aandacht voor landschap van belang.

Klimaatmaatregelen hebben invloed op het landschap. Zo zullen vernatting van veenweidegebieden en andere vormen van landgebruik het veenlandschap veranderen. Andere teelten dan gras, zoals lisdodde, riet of wilgen, kunnen het open veenlandschap een ander gezicht geven en leiden tot een ander ecologisch functioneren. Uitbreiding of een verandering van de soortensamenstelling van bossen zal ook leiden tot veranderingen in het landschap. Zo slaan lariksen relatief veel koolstof op, maar willen we meer lariksbossen? Tegelijk zullen ook andere transities het landschap veranderen, zoals verdergaande verstedelijking, verduurzaming van de landbouw (om andere redenen dan beperking van haar bijdrage aan klimaatverandering), verduurzaming van de natuur en ontwikkelingen in het kader van waterveiligheid. Doordat landschap niet als zelfstandig onderwerp wordt behandeld in het Klimaatakkoord, blijft de relatie en confrontatie met die andere transities uit beeld. Zo wordt het landschap een resultante van al die ontwikkelingen.

Landschapsarchitecten hebben dit probleem gesignaleerd. Hoewel ruimtelijke experts betrokken waren bij de vijf klimaattafels en het thema ruimte aandacht krijgt in het Klimaatakkoord op hoofdlijnen, waren zij er niet gerust op en presenteerden daarom, ook in juli, het door velen ondertekende ‘Pleidooi 2050’. Zij pleiten daarin onder meer voor een nationaal programma om de energietransitie ruimtelijk, op alle schaalniveaus, goed te organiseren en om de energietransitie te koppelen aan andere (ruimtelijke) transities. Dit zien zij als voorwaarde voor een kwaliteitsslag in onze leefomgeving. Weliswaar gaat het hen vooral om ruimtelijke kwaliteit, maar ruimtelijke en landschappelijke
kwaliteit hangen vaak samen.

Landschap verdwijnt steeds meer uit het zicht. Je ziet het in het nieuwe beleid voor de leefomgeving, zoals de nieuwe Omgevingswet, en nu ook bij het Klimaatakkoord. ‘Leefomgeving’ wordt een belangrijker woord dan ‘landschap’. Terwijl landschapskwaliteit gebaat is met een integrale visie op al die ontwikkelingen, en al die andere transities op hun beurt gebaat zijn met goed functionerende landschapsecologische systemen.

JOS DEKKER, HOOFDREDAC TEUR